Terug naar Indonesië (slot)

Het is bijna vijfendertig jaar later als André voor het eerst weer terug is in Indonesië. Hij maakt een toeristische rondreis, samen met zijn dochter. Twee weken lang toeren ze met een bus vol Nederlanders door het land dat ooit het zijne was. Over de heuvels waar lang geleden zijn opa en oma elkaar hadden ontmoet, langs bosranden waar ooit zijn ouderlijk huis aan had kunnen staan, langs kustlijnen en kali’s, gelijk aan die uit zijn jeugd. Het voelt vreemd om terug te zijn, alsof Nederland een dun laagje stof over zijn directe herinneringen heeft gelegd. Maar zijn zintuigen herkennen alles. De geuren, de geluiden, de smaken, de warmte; ze openen deurtjes van herkenning en heimwee naar een leven dat niet van hem lijkt te zijn.

Terwijl het groene landschap in de vorm van het busraampje aan hem voorbij schiet, klopt hij zijn dochter naast hem liefkozend op haar dijbeen. Hoe kan hij het achttienjarige meisje uitleggen hoe het voelt om terug te zijn? Moet hij het uitleggen? Of zal ze het begrijpen zonder woorden? Ze heeft blauwe ogen, net als haar moeder, maar sinds ze in Indonesië zijn loopt ze vooral op blote voeten en gloeit haar huid goudbruin.

Alexia kent het verhaal over haar oom Maurice. Hoe hij twee weken voor het vertrek van de Sibayak verdween omdat hij niet naar Nederland wilde. Sinds ze weet dat ze met haar vader de rondreis door Indonesië zou gaan maken, zegt ze daarom dat ze hem wil vinden. André vindt dat lief, maar acht de kans onmogelijk. In geen jaren heeft hij contact gehad met zijn broer. Aan het begin, vlak na André’s aankomst in Holland, schreven ze nog brieven aan elkaar, maar na een aantal jaar van correspondentie ontving André geen brief meer terug. Maurice kon – als hij überhaupt nog in leven was – overal in Indonesië zijn.

‘We rijden straks langs Sibolga,’ zegt André meer in gedachte hardop tegen zichzelf dan tegen zijn dochter. ‘Het zou mooi zijn als we even uit kunnen stappen.’ Alexia knikt. ‘Laten we het vragen pap. De chauffeur kan toch even stoppen voor ons.’ ‘Ah nee, zoveel moeite. Dan moeten al die mensen op ons wachten.’ Hij schudt zijn hoofd en wendt zijn blik af naar het raam, naar buiten.

Niet veel later maakt de bus een tussenstop en iedereen stapt uit om de benen te strekken en wat te drinken te kopen. Het is een klein en rommelig busstation en de groep toeristen trekt direct de aandacht. Een wat oudere man die zich voorstelt als fotograaf van een plaatselijk krantje loopt rond om foto’s te maken van de groep die overwegend bestaat uit roodverbrande mensen in korte broeken. ‘Selamat siang!’ roept hij vrolijk. ‘Photo, photo!’ Andre en Alexia poseren voor de man en lachen naar de camera. Als hij zich omdraait om de andere toeristen te fotograferen, bedenkt André zich plotseling iets. ‘Bapak, boleh saya bertanya? Waar zijn we eigenlijk?’
‘Di Sibolga,’ grijnst de man. ‘Selamat datang!’

Het duurt even voordat André door heeft wat de man zojuist heeft gezegd, maar zodra de betekenis van de woorden tot hem doordringt voelt de grond onder zijn voeten plotseling anders. Hij staat met zijn dochter op zijn geboortegrond, ruim vijftig jaar nadat hij als lichtbruin baby’tje in zijn moeders armen werd gelegd; vijfendertig jaar nadat hij door zijn oma met de boot naar Jakarta werd gestuurd om daar naar school te gaan en bij tante Marie te wonen. Waar hij als vijfjarige met zijn ouders vandaan verhuisde, naar Huta Balang, een paar kilometer verderop, meer in de desa, naar een huis beter verstopt voor de jap. Naar het huis waar zijn vader niet lang daarna toch werd gevonden en werd meegenomen. Op een vroege ochtend, in zijn onderbroek. Hij is terug op de plek waar het allemaal begon.

‘Pap, je moet vragen aan iemand of ze de familie Stins kennen. Je weet maar nooit.’ Alexia’s stem doet hem opschrikken uit zijn gedachte. ‘Vraag het aan die man,’ ze knikt naar de fotograaf die inmiddels verderop een groepje toeristen fotografeert. ‘Misschien weet hij iets.’ Andre twijfelt. De kans is klein en ze hebben eigenlijk geen tijd. De bus moet verder, naar Padang. Aan de andere kant: hij heeft ook niets te verliezen. Hij is zijn broer al lang geleden kwijtgeraakt, vragen is het minste wat hij kan doen nu hij plotseling in Sibolga staat. Hij roept naar de fotograaf. ‘Bapak, excuses! Mag ik nog wat vragen? Kent u misschien een Maurice Stins? De familie Stins?’ De man zijn ogen lichten op. ‘Natuurlijk,’ glimlacht hij nonchalant. ‘Maurice Stins is de stiefzoon van mijn broer.’

*
Vanaf dat moment gaat het snel. André en Alexia – op blote voeten – lopen achter de man aan. ‘Hij is visser,’ legt hij uit terwijl ze gehaast een smal pad tussen het struikgewas in lopen. ‘Hij is meestal op zee, dus misschien is hij niet thuis.’

Na een paar minuten staan ze voor een eenvoudig huisje aan de rand van een smalle kali. De man die er woont komt onmiddellijk naar buiten, alsof hij al wist dat de stemmen die langzaam dichterbij kwamen voor hem waren bedoeld. Met een grijns kijkt hij naar het bezoek; een man van middelbare leeftijd en een meisje met blauwe ogen van een jaar of achttien. ‘Broer,’ zucht hij en met zijn armen gespreid loopt hij op het tweetal af. ‘Daar ben je weer. Welkom thuis.’

De twee broers herenigd. Vlnr de vrouw van Maurice, Alexia, Maurice en Andre

De twee broers herenigd. Vlnr de vrouw van Maurice, Alexia, Maurice en Andre

---

Dit is het slot van een reeks die ik schreef over het bewogen leven van mijn lieve oom Andre, de neef van mijn oma die ik twee jaar geleden voor het eerst heb ontmoet. Het was toevallig, want die ontmoeting kwam door een familiereünie die samen viel met het begin van mijn eigen onderzoek; een organisatie waaruit blijkt dat er bij meerdere stamboomleden de behoefte wordt gevoeld om elkaar en onszelf beter te leren kennen. Sindsdien kom ik regelmatig bij mijn oom over de vloer. Ik ben gefascineerd door zijn levenslust en herken mijn oma in zijn positieve energie. Hij vertelt me verhalen die je zelf niet kan verzinnen, maar die toch écht zijn gebeurd. Verhalen waarvan zoveel mensen niet weten dat ze onderdeel zijn van de Nederlandse geschiedenis. De afgelopen tijd postte ik verschillende scenes uit zijn leven op mijn blog. Ik hoop dat jullie de verhalen met aandacht hebben lezen, want dat is wat ze verdienen.

Een enkeltje Holland (deel 3)

‘Andre, de situatie hier is niet meer te vertrouwen. We gaan naar Holland. Jij en Maurice gaan eerst. Jullie vertrekken volgende maand.’ Tante Marie zei het zonder een spier te verrekken. Ze keek streng en overhandigde André twee passagebiljetten. Daarna draaide ze zich om en liep het huis uit. Stomverbaasd volgde André zijn tante door het raam. Ze ging aan tafel zitten op de veranda en boog zich geconcentreerd over een stapel brieven. 
          Vertwijfeld keek hij naar de papieren in zijn hand. SIBAJAK stond er op. Een enkele passage van Tandjong Priok naar Rotterdam. Wat moest hij hier nou weer van vinden? Natuurlijk had hij gehoord dat de banden tussen Indonesië en Nederland op gespannen voet stonden en dat Soekarno de nationalisatie van Nederlandse bedrijven had aangekondigd. Maar wat moest hij in Holland? Hij woonde al zeven jaar in Jakarta en dat was zijn nieuwe thuis geworden.
          Hij beet op z’n lip. Hij was nu bijna 21 jaar en het gebeurde voor de tweede keer in zijn leven dat iemand hem zonder enig overleg op een boot zette. In 1951 was het zijn oma geweest die hem en Maurice van Sibolga naar Jakarta stuurde. Ze had drie jaar lang met veel liefde voor de twee kinderen van haar overleden zoon gezorgd, maar op een dag werd ze te oud en kon de zorg niet meer aan. ‘Jullie kunnen naar Tante Marie in Batavia,’ had ze gezegd en ook toen had André met zijn mond vol tanden gestaan. Hij kende Tante Marie niet. Het enige wat hij wist was dat ze een halfzus van zijn vader was; de oudste stiefdochter van oma.
          Een paar weken na oma’s mededeling waren Maurice en hij na een boottocht van enkele dagen, van Sibolga via Medan en Singapore, in Jakarta aangekomen. Daar had Tante Marie hen opgehaald en hen welkom geheten in haar gezin. Ze zorgde daarmee dat de jongens voor het eerst in tien jaar weer deel uitmaakten van een echte familie; met Tante Marie als strenge moeder, Oom Miel als een lieve vader en hun zoon Jan als stoere broer. Maar waarom stuurde ze de twee jongens dan nu – zeven jaar later – zonder hen voorruit naar Holland? André wist niet eens óf hij überhaupt wel naar Holland wilde, maar nu zijn tante dat voor hem had bepaald ging hij liever met z’n allen tegelijk dan alleen met Maurice.
          Hij liep naar buiten. ‘Tante Marie,’ vroeg hij voorzichtig. ‘Waarom gaan we niet gewoon samen?’ Marie keek geïrriteerd op. ‘Omdat dat niet kan met Miels werk,’ zei ze streng. ‘En de passage was duur zat, je moet blij zijn dat ik nog plekken voor jullie heb weten te bemachtigen. De boten zitten propvol.’ Ze was even stil. ‘Wij komen een paar maanden later. Oom Boet haalt jullie op in Rotterdam. Breng jij Maurice op de hoogte? Hij is vast aan het werk bij de garage.’
          André wilde nog iets zeggen, maar wist eigenlijk niet wat. Hij keek naar de papieren op tafel. Zijn tante was duidelijk druk met haar correspondentie en de administratie. Hij stapte de veranda af en liep slenterend de straat op. Nooit had hij eraan gedacht dat zijn toekomst in Holland zou liggen. Met de passagebiljetten in zijn hand liep hij naar Maurice. Hij was benieuwd hoe zijn jongere broer zou reageren.

>> Verder lezen? Klik dan hier. 
>> Voor foto's, scroll naar beneden

Maurice (links) en André (rechts) met oma en de hulp van oma Kama - Sibolga omstreeks 1948

Maurice (links) en André (rechts) met oma en de hulp van oma Kama - Sibolga omstreeks 1948

De familie in Jakarta, 1951. Van links naar rechts: Andre, oom Miel. tante Marie, Jan en Maurice

De familie in Jakarta, 1951. Van links naar rechts: Andre, oom Miel. tante Marie, Jan en Maurice

--- 

Dit is het derde deel van een reeks die ik schrijf over het bewogen leven van mijn lieve oom André, de neef van mijn oma die ik twee jaar geleden voor het eerst heb ontmoet. Het was toevallig, want die ontmoeting kwam door een familiereünie die samen viel met het begin van mijn eigen onderzoek; een organisatie waaruit blijkt dat er bij meerdere stamboomleden de behoefte wordt gevoeld om elkaar en onszelf beter te leren kennen. Sindsdien kom ik regelmatig bij mijn oom over de vloer. Ik ben gefascineerd door zijn levenslust en herken mijn oma in zijn positieve energie. Hij vertelt me verhalen die je zelf niet kan verzinnen, maar die toch écht zijn gebeurd. Verhalen waarvan zoveel mensen niet weten dat ze onderdeel zijn van de Nederlandse geschiedenis. De komende tijd post ik verschillende scenes uit zijn leven op mijn blog. Ik hoop dat jullie de verhalen met aandacht zullen lezen, want dat is wat ze verdienen.

Wat 4 en 5 mei ons (niet) zeggen over koloniale erfenis

Vanavond was ik bij een programma in De Nieuwe Liefde in Amsterdam met als titel ‘De toekomst van herdenken – Welke verhalen nemen we mee?’. Panelleden waren Job Cohen, als voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, Urwyn Vyent, als directeur van het Ninsee en John Sijmonsbergen als voorzitter van Stichting Herdenking 15 augustus. Voorafgaand aan het programma werd een filmpje vertoond waarin aan verschillende mensen op straat werd gevraagd wat de betekenis was van 4 en 5 mei, 1 juli en 15 augustus. Gek genoeg wisten alle geïnterviewden wat we herdenken en vieren in mei, maar die overige data? ‘Geen idee!’ Alleen de mensen met een Surinaamse/Antilliaanse achtergrond wisten 1 juli te duiden als Keti Koti, slechts één eenzame indo noemde 15 augustus 1945 als de dag waarop Japan capituleerde en de Tweede Wereldoorlog dus officieel ophield.

Hoe kan het toch dat deze data – beide officiële herdenkingen zoals 4 en 5 mei -  nauwelijks deel uit maken van het Nederlandse collectieve geheugen? Gedurende de avond kwam ik erachter: Ook op het gebied van officiële herdenkingen overheerst een wit perspectief, waarbij het leed dat geografisch in Nederland en Europa heeft plaatsgevonden veel meer leeft en aandacht krijgt dan het leed dat is ervaren in (voormalige) Nederlandse gebiedsdelen overzee. Het is een theorie die langzaam tot me doordrong dankzij de woorden van niemand minder dan van Job Cohen.

De vraag werd hem namelijk gesteld hoe in zijn ideale stad herdenken eruit zou zien en in zijn antwoord – dat toch minstens een paar minuten in beslag nam – noemde hij nergens dat 1 juli en 15 augustus een plek zouden moeten krijgen. In plaats daarvan roemde hij vooral de manier waarop we nu al herdenken op 4 en 5 mei en noemde hij vervolgens alle prachtige initiatieven die voorafgaand en na afloop van deze dagen in Nederland plaatsvinden. Zoals het project ‘Oorlog in mijn buurt’, ‘Theater na de Dam’, het openstellen van huizen waar ooit Joodse mensen woonden, de Auschwitz Herdenking, de Dachau Herdenking en ga zo maar door.

Begrijp me niet verkeerd, als kleinkind van een Joodse opa, vind ik deze dagen heel erg belangrijk. Maar ik ben ook het kleinkind van een Indische oma. Waar is haar herdenking in die ideale wereld van Job Cohen? En die van mijn Surinaamse buren? Gelukkig stelde iemand uit het publiek dezelfde vraag. Het antwoord van Job Cohen: ‘Ja, ooit was ik er niet van overtuigd dat het slavernijverleden herdacht moest worden. Het is al zo lang geleden. Maar sinds ik burgemeester ben geweest snap ik het belang, ook vanwege de doorwerking van dat verleden. Natuurlijk is 1 juli ook belangrijk – daarin steun ik het Ninsee van harte. Ik ben een witte vriend.’ En over 15 augustus: ’15 augustus is inderdaad de officiële datum waarop de Tweede Wereldoorlog in Nederland eindigde, want toen capituleerde Japan. Maar we kunnen de herdenking nu moeilijk gaan verschuiven. 5 mei is nou eenmaal de dag waarop voor het grootste gedeelte van Nederland de oorlog ophield.’

Dit standpunt is grofweg niet waar. Het grootste gedeelte van Nederland – namelijk dat enorme eilandenrijk waar we zo heerlijk onze rijkdommen vandaan haalden – was op 5 mei 1945 nog hartstikke bezet. Rond de 140.000 Nederlanders zaten toen nog in jappenkampen en in krijgsgevangenschap; tegelijkertijd werd het doen en laten van tientallen miljoenen Nederlandse onderdanen bepaald door diezelfde Japanse bezetter. Ligt het aan mij of zijn we nu plotseling weer selectief bezig? Hoe kan het toch dat we ná de Japanse bezetting er alles aan hebben geprobeerd om Indië te behouden  - want Indië was Nederland! – maar toen dat eenmaal mislukte en de Indonesische onafhankelijkheid een feit werd – de Tweede Wereldoorlog “voor het grootste gedeelte van Nederland” plotseling ophield in mei 1945?

Het feit dat wij in Nederland 4 en 5 mei veel groter en publieker herdenken en vieren dan 1 juli en 15 augustus komt doordat de kennis en het gevoel van eenheid met onze voormalige kolonies minimaal is. Suriname, de Antillen en voormalig Nederlands-Indië waren vooral erg belangrijk voor de winsten die deze gebiedsdelen voortbrachten – daarvoor hoorden ze zeker wel bij Nederland! - maar naar hun inwoners werd niet tot nauwelijks omgekeken. Dat blijkt ook uit het ontmoedigingsbeleid dat Nederland voerde om Indische mensen na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland te laten komen of de manier waarop Surinamers in de jaren ’70 in flatgebouwen in de Bijlmer werden gepropt. Dat de voorouders van al deze migranten het Nederland waar ze nu in moesten wonen hadden opgebouwd, daar dacht niemand aan. De gemiddelde witte Nederlander wist niks over ‘de Surinamer’, ‘de Indo’ of ‘de Molukker’ - laat staan dat er een empathische of emotionele toenadering ontstond. En op hoger niveau: laat staan dat het leed van deze gemeenschappen onderdeel zou worden van de collectieve Nederlandse herinneringscultuur.

De invloed hiervan zien we anno 2018 nog steeds. Keti Koti? Geen idee. De Indiëherdenking? Nog nooit van gehoord. Ik zeg het nog maar een keer: wanneer gaan we de lessen koloniale geschiedenis eens herzien?

Een nieuw begin (deel 2)

‘Andre, ga water halen en ruim die borden op!’ De man die dit zei zat onderuit gezakt aan de eettafel. Voorzichtig nam hij een slok van zijn kopi tubruk en met zijn rechterhand wuifde hij ongeïnteresseerd naar de magere jongen voor hem. ‘En breng je zusje naar bed. Ze is moe.’ De kleine jongen knikte beleefd, maar door zijn elfjarige lichaam voelde hij een tinteling van afschuw. Deze man, in zijn kakikleurige uniform op de veranda van een huis dat hij niet zelf gebouwd had; hoe durfde hij zo te praten tegen de oudste zoon van de heer des huizes?

Andre liep naar de waterton en dacht na. Van zijn moeder moest hij ook altijd doen wat de man hem opdroeg, want – zo zei ze – hij had hen gered uit het kamp en hen weer naar hun huis in Hutabalang gebracht. Wie weet hoe het anders met hen was afgelopen, vroeg ze dan. Misschien wel op dezelfde manier als met pappie, gefusilleerd door de jap in de gevangenis van Pematang Siantar. Altijd als zijn moeder zoiets zei, knikte de jongen bedeesd. Hij had het inderdaad aan de man te danken dat zijn moeder, zijn broertjes en hij niet al te lang in het kamp hadden gezeten. En toch vroeg hij zich af, ook al was hij nog jong en had hij eigenlijk nog geen verstand van dat soort dingen: Had de man, die de zoon was van het dorpshoofd van Hutabalang, misschien altijd al een oogje gehad op zijn moeder én het huis waar zij met haar echtgenoot in woonde? En had hij zijn kans schoon gezien, toen haar echtgenoot werd opgepakt en zij een paar maanden later met haar kinderen werd geïnterneerd, om zich als redder aan haar voeten te werpen en haar ten huwelijk te vragen? De jongen rilde bij de gedachte. Al vijf jaar lang hoopte hij iedere dag dat de dood van zijn vader een vergissing was. Dat zijn vader op een dag weer het erf op zou lopen, in zijn onderbroek, zoals de laatste keer dat hij hem had gezien.

Het was donker in de tuin en de krekels, onzichtbaar tussen de tropische planten, zongen de jongen tegemoet. Hij vulde een houten emmer met water en liep ermee naar het keukentje in een van de bijgebouwen. Daar, tussen de potten en pannen, stond hij stil en sloot zijn ogen. Het donkere gebouwtje omarmde hem, het geluid van de krekels klonk steeds verder weg. Hij dacht aan zijn broertje Maurice, die nu bij oma in Sibolga woonde, een uur hier vandaan. Als hij hier zo zou blijven staan, zou hij dan ook langzaam kunnen verdwijnen?

‘Andre, waar blijf je? Schiet eens op!’ De harde stem van de man deed hem opschrikken uit zijn gedachte. De jongen voelde hoe zijn buik zich omdraaide. Waarom werd hij als slaaf gebruikt in zijn eigen huis? Hij pikte het niet langer. Hij ademde diep in, strekte zijn rug en liep terug naar de veranda. Vanavond zou hij alles doen wat de man hem vroeg, vol overgave. Daarna zou hij zijn moeder een goede nacht zoenen.

De volgende ochtend, nog voor de zon op kwam, pakte de jongen de weinige spullen die hij had en sloop naar buiten. Hij wierp nog één blik op het donkere huis en stapte toen de weg op. Nooit meer zou hij hiernaartoe terugkeren.

--

Dit is het tweede deel van een reeks die ik schrijf over het bewogen leven van mijn lieve oom Andre, de neef van mijn oma die ik twee jaar geleden voor het eerst heb ontmoet. Het was toevallig, want die ontmoeting kwam door een familiereünie die samen viel met het begin van mijn eigen onderzoek; een organisatie waaruit blijkt dat er bij meerdere stamboomleden de behoefte wordt gevoeld om elkaar en onszelf beter te leren kennen. Sindsdien kom ik regelmatig bij mijn oom over de vloer. Ik ben gefascineerd door zijn levenslust en herken mijn oma in zijn positieve energie. Hij vertelt me verhalen die je zelf niet kan verzinnen, maar die toch écht zijn gebeurd. Verhalen waarvan zoveel mensen niet weten dat ze onderdeel zijn van de Nederlandse geschiedenis. De komende tijd post ik verschillende scenes uit zijn leven op mijn blog. Ik hoop dat jullie de verhalen met aandacht zullen lezen, want dat is wat ze verdienen.

Oom Andre vluchtte vanuit Hutabalang naar zijn oma en broer in Sibolga, naar het huis van zijn al overleden opa Stins. Zijn oma is de tweede vrouw van rechts, omstreeks 1930. 

Oom Andre vluchtte vanuit Hutabalang naar zijn oma en broer in Sibolga, naar het huis van zijn al overleden opa Stins. Zijn oma is de tweede vrouw van rechts, omstreeks 1930. 

Wat niet weet wat niet deert. Een herkenbare waarheid of vooral een Indisch cliché?

Vanavond zat ik in de woonkamer van de drie bejaarde Indische zussen Nonni, Son en Titi. Aan de muur hing een schilderij van een Javaans landschap, op tafel lag een batik-kleedje en in de keuken pruttelde een pan sajoer lodeh. Als de telefoon ging stonden ze alle drie op om op te nemen. Het kon immers Broer wel eens zijn, of neef Stef, of de nieuwe liefde van Titi, de tachtigjarige Andre. Op elkaars lip, met de televisie aan en het familiearchief op de eettafel - oudste zus Nonni zou de memoires wel eens opschrijven - lag de familiegeschiedenis open en bloot op tafel. Wat Titi en Son echter niet wisten, was dat Nonni al jarenlang in het keukenkastje, tussen de trassi en de zakken kroepoek, een fotoboek schuilhield. Een fotoboek vol zwart-wit foto's, familiegeheimen en verzwegen herinneringen. Want - zo zou Nonni achteraf verklaren - 'wat niet weet, wat niet deert.' 

Hoewel ik vaker bij wat oudere Indische mensen van de eerste generatie in de woonkamer heb gezeten, was dit de eerste keer dat dit een woonkamer was op toneel. Want ondanks dat bovenstaande omschrijving een schets had kunnen zijn van een van de interviews die ik de afgelopen jaren heb gedaan, was dit het decor van de theatervoorstelling Gouwe Pinda's van Bodil de la Parra, Nadja Hüpscher en Esther Scheldwacht. De voorstelling speelt al sinds november 2017, maar aangezien ik zo'n verwende Amsterdamse ben die het liefst alleen de stad verlaat voor haar Indische ooms in Den Haag, heb ik hem vanavond pas gezien. In Theater Bellevue om de hoek van het Leidseplein, waar hij tot en met 7 januari te zien is. 

'Wat niet weet, wat niet deert', het is een uitspraak die vaak lijkt terug te komen als het gaat om Indische familieverhalen. Of dat ook de reden was dat mijn eigen grootouders zo weinig vertelden over de Japanse bezetting, de bersiap en de dekolonisatie, weet ik niet met zekerheid te zeggen. Vast staat wel dat mijn oma op het sterfbed van haar oudtante ooit te horen kreeg dat haar Hollandse opa niet haar biologische opa was. Een grof schandaal dat de helft van mijn familie lange tijd niet geloofde. Is het iets ouderwets om niet over 'het verleden' te praten? Is het iets Indisch? Of ligt er gewoon een taboe op narigheid?  

Wat het antwoord op die vragen ook is, de uitkomst van het niet mogen of kunnen weten, is vaak het tegenovergestelde van 'niet deren'. Hoe vaak hebben onbesproken trauma's niet geleid tot onbegrip, agressie zelfs, familieruzies en nieuw trauma? Ik schreef het al eerder, maar het is helaas een waarheid dat in veel Indische families de helft niet met elkaar spreekt. Niet voor niks bestaan er een Stichting Pelita en een Centrum 40'-45' waar mensen met hun (oorlogs)trauma's, opgelopen door de oorlogsjaren in Indië, terecht kunnen. De voorstelling Gouwe Pinda's legt dit op een subtiele en een met humor doordrenkte manier bloot; een pijnlijke waarheid die als een rode draad door het Indische gekwebbel - Adoeh! Is de telor alweer abis! -  van de zussen Nonni, Son en Titi schemert. Ik raad jullie dus allemaal aan om te gaan en vooral je Indische opa, oma, vader of moeder, oom of tante, mee te nemen. Ik garandeer je een brede lach, maar ook af en toe een traan. En stel na afloop aan de borrel dan die vragen, want wie niet weet, wie niet leert. 

Met Gouwe Pinda's Nonni (Bodil de la Parra) en eeuwige vriend Chris Belloni na afloop van de voorstelling. 02 januari 2017.

Met Gouwe Pinda's Nonni (Bodil de la Parra) en eeuwige vriend Chris Belloni na afloop van de voorstelling. 02 januari 2017.

Voor de speellijst van Gouwe Pinda's, zie: http://viarudolphi.nl/productie/gouwe-pindas/

Een zware kist in een woonkamer vol orchideeën

In de woonkamer van de zus van mijn oma stond een kist. Een hele mooie, Chinees houtsnijwerk met een motief van bloemen. Het was mijn tantes schatkist, een geheimzinnig meubelstuk met een slot tussen deksel en flank. Alleen de vrouw des huizes wist waar de sleutel lag en soms sloot ze zichzelf op in haar woonkamer om de kist te openen en in alle stilte door de inhoud te spitten.

Mijn lieve oudtante. Ik zie haar nog zo op de oprit staan. Hoe ze mij en mijn moeder uitzwaaide als we een lang weekend op bezoek waren geweest. Op haar slofjes voor haar witgeschilderde twee-onder-een-kap-woning in een buitenwijk in Londen, met in de erker een vensterbank vol orchideeën, wuifde ze net zo lang tot we uit het zicht waren. Ik zwaaide altijd heftig terug en bleef kijken tot de vrouw die met haar charmante lach makkelijk een hele kamer vulde, nog slechts een bruin stipje was in een grauwe Engelse straat. Ik hield van haar, bij haar thuis voelde ik me een prinses in een Aziatisch paleis. Toch durfde ik nooit te vragen wat er nou precies in die Chinese kist zat. 

Het is inmiddels ruim tien jaar geleden dat ik mijn tante voor het laatst gedag zei en pas afgelopen zomer durfde ik met haar kleindochter de kist open te maken. Het voelde als grafschennis, maar onze nieuwsgierigheid won het van alle andere bezwaren. Na tien jaar mochten we toch wel eens weten wat erin zat? Ik was er bovendien speciaal voor naar Londen gevlogen. We staken de sleutel in het slot en tilden de zware deksel op. 

Mijn nicht en ik zijn vervolgens drie dagen lang het huis niet uit geweest. Vol verbazing hebben we ieder document uit de kist door onze handen laten gaan, bekeken, ontcijferd, gelezen, en besproken. Fotoalbums uit de jaren '20 en '30; documenten uit de Japanse bezettingsperiode; Brieven van onze overgrootvader, geschreven aan zijn dochter in de onrustige tijden van de Bersiap; Brieven van mijn oma, van mijn overgrootmoeder, van vriendinnen uit Amerika die ooit meisjes waren in steden als Medan, Batavia en Bandoeng. 

Al die jaren bewaarde mijn tante haar verleden in die kist, een verleden vergrendeld met een slot. Ik hoop dat ze het niet erg vindt dat het slot nu open is en ik haar tastbare herinneringen gebruik voor een boek. Lieve Tante Naia, ik doe het met respect en liefde. En ik begrijp het helemaal, dat voor sommige gebeurtenissen geen woorden bestaan. Dat ze eerst zestig jaar vergrendeld moeten zijn voordat een volgende generatie ermee aan de slag kan. 

 

Op datum sorteren was nog een hele klus.. 

Op datum sorteren was nog een hele klus..